Kalk kent een eigen taal. Sommige woorden komen uit de chemie, andere uit eeuwenoude bouw- en restauratiepraktijk. In dit kalkwoordenboek brengen we die begrippen bij elkaar: van levende kalk, kalkdeeg en carbonatatie tot beslaan, in de rot zetten, daggeijzer, snijvoeg en historische metselverbanden.
Zoek je uit wat carbonatatie, tras of putkalk betekent? Dit kalkwoordenboek legt de belangrijkste kalktermen uit in gewone taal. Twijfel je over een ander begrip? Ook dat vind je terug in dit kalkwoordenboek. Klik op een begrip voor meer uitleg, historische benamingen en praktijkinformatie.
A · B · C · D · E · F · G · H · I · J · K · L · M · N · O · P · Q · R · S · T · U · V · W · X · Y · Z
Dit kalkwoordenboek is alfabetisch opgebouwd. Gebruik de letters bovenaan om direct naar een deel van het kalkwoordenboek te springen, of scrol rustig door om nieuwe begrippen te ontdekken die je nog niet kende.
Inhoud
ToggleA
Aanbranden — Het aanbrengen van een dunne hecht- of contactlaag op een ondergrond voordat een volgende mortel- of pleisterlaag wordt aangebracht.
De samenstelling en uitvoering hangen af van de ondergrond en het materiaal dat daarna wordt aangebracht.
Aanhechting — De mate waarin een mortel, pleister of afwerking zich aan een ondergrond verbindt.
Aanhechting wordt onder andere beïnvloed door zuiging, oppervlakteruwheid, vochttoestand, mortelsamenstelling en verwerking.
Afpoeieren — Het loskomen van fijne materiaaldeeltjes aan het oppervlak van mortel, pleisterwerk of kalkverf.
Afpoeieren kan verschillende oorzaken hebben en moet in samenhang met de ondergrond, droging, carbonatatie en verwerking worden beoordeeld.
Aggregaat — De korrelvormige bestanddelen van een mortel, zoals zand, steengruis of schelpengruis.
Korrelvorm, mineralogie, korrelgrootte en korrelopbouw hebben grote invloed op de verwerking en eigenschappen van kalkmortel.
Alkaliteit — De basische eigenschap van onder andere verse kalk en kalkmortel.
Verse kalk heeft een hoge pH. Dit is onder andere van belang bij de keuze van pigmenten, tijdens de verwerking en voor veilig werken met kalk.
Autogeen herstel — Het vermogen van een kalkgebonden materiaal om zeer kleine scheuren onder gunstige omstandigheden gedeeltelijk weer te sluiten.
Ook genoemd: zelfherstellend vermogen.
B
Bagoutvoeg — Platte basisvoeg met een diepe groef waarin een fijne, meestal witte, contrasterende kalklijn wordt opgezet.
De opgezette lijn kan bol of vierkant van profiel zijn. De techniek wordt handmatig uitgevoerd en komt voor in historisch en ambachtelijk voegwerk.
Verwant aan: Engels tuck pointing. De technieken vertonen sterke overeenkomsten, maar worden hier niet zonder meer als historische synoniemen behandeld.
Beslaan — Het intensief bewerken en dooreenwerken van kalkmortel; bij voegwerk ook het mechanisch bekloppen van de verse mortel.
Bij traditionele mortelbereiding wordt beslaan gebruikt voor het zorgvuldig dooreenwerken van de bestanddelen, onder andere met de kalkhouw. Bij voegwerk kan beslaan het strijkhuidje doorbreken, waardoor zand en andere aggregaten duidelijker zichtbaar worden.
Historische of regionale termen: ajieren, beren, slaan, bouwen.
Beslagen voeg — Voegafwerking waarbij de verse voegmortel na het aanbrengen mechanisch wordt beklopt of beslagen.
Door het oppervlak te beslaan wordt het strijkhuidje doorbroken en kan het gebruikte aggregaat duidelijker zichtbaar worden. Hierdoor ontstaat een levendiger en minder glad oppervlak.
Betemperen — Historische vakterm voor het toevoegen van vocht en het vervolgens bewerken van materiaal tot een deegachtige, verwerkbare massa.
Het begrip hoort bij de historische taal rond mortelbereiding en beslaan.
Bindmiddel — Het bestanddeel dat de overige mortelbestanddelen met elkaar verbindt.
Bij traditionele luchtkalkmortel is kalk het bindmiddel.
Blokverband — Metselverband waarin groepen stenen als visuele blokken worden gerangschikt.
De precieze steenverdeling kan per uitvoering verschillen.
Blusbak — Bak waarin levende kalk traditioneel met water wordt geblust.
Bij nat blussen kan de gevormde kalkbrij vanuit de blusbak door een rooster of opening naar een kalkput worden geleid voor opslag en rijping.
Blussen — Het laten reageren van levende kalk met water.
Ook: lessen. Historische schrijfwijze: lesschen.
Er bestaan verschillende manieren van blussen. De gekozen werkwijze is mede bepalend voor de vorm waarin de gebluste kalk beschikbaar komt en voor de verdere verwerking.
Boote — Historische mand waarmee kalk werd afgemeten.
Ook genoemd: vatmand.
Boutische voeg — Historische platte voeg waarin twee evenwijdige lijnen worden aangebracht.
De dubbele lijn geeft de voeg een karakteristiek uiterlijk. De Boutische voeg wordt onder andere aangetroffen bij historisch kerkelijk metselwerk.
Branden van kalk — Het verhitten van kalksteen in een kalkoven zodat levende kalk ontstaat.
Bij het branden wordt calciumcarbonaat omgezet in calciumoxide en komt kooldioxide vrij.
Ook: kalkbranden.
Brikkenmeel — Fijn gemalen gebakken baksteen of ander keramisch materiaal dat als toeslag en, afhankelijk van de eigenschappen, als puzzolane component in kalkmortel kan worden gebruikt.
Niet ieder gemalen baksteenproduct is automatisch een actieve puzzolaan. De werking hangt onder andere samen met de gebruikte klei, brandtemperatuur, mineralogie en maalfijnheid.
Bouwen / doorbouwen — Historische vakterm voor het herhaald omzetten en intensief bewerken van mortel tijdens de bereiding.
De term komt voor in historische beschrijvingen waarin de mortel tijdens de bereiding herhaaldelijk werd omgezet, bevochtigd en verder bewerkt.
C
Calciet — Een kristallijne vorm van calciumcarbonaat en een belangrijk mineraal in kalksteen en gecarbonateerde kalk.
Calciet komt zowel als grondstof als reactieproduct in kalkgebonden materialen voor.
Calciumcarbonaat — CaCO₃ — De belangrijkste verbinding waaruit zuivere kalksteen bestaat en die opnieuw ontstaat wanneer luchtkalk carbonateert.
Calciumcarbonaat vormt de begin- én eindfase van de klassieke kalkcyclus.
Calciumhydroxide — Ca(OH)₂ — Gebluste kalk; ontstaat wanneer calciumoxide met water reageert.
Calciumhydroxide is het reactieve kalkbestanddeel in traditionele luchtkalk.
Calciumoxide — CaO — Levende kalk zoals deze na het branden uit de kalkoven komt.
Calciumoxide reageert sterk exotherm met water tijdens het blussen.
Carbonatatie — De reactie waarbij calciumhydroxide kooldioxide uit de lucht opneemt en weer calciumcarbonaat vormt.
Carbonatatie is niet hetzelfde als droging. Het is een chemisch verhardingsproces.
CL90 — Classificatie voor een calciumrijke luchtkalk volgens de Europese kalknormering.
De exacte normatieve betekenis en subklasse kunnen in een verdiepend kennisartikel verder worden toegelicht.
Compatibiliteit — De mate waarin een nieuwe mortel of afwerking kan samenwerken met bestaand historisch materiaal.
Daarbij spelen onder meer sterkte, vervorming, vochtgedrag, poriënstructuur en hechting een rol.
D
Dagge / daggeijzer — Historisch voegersgereedschap waarmee een lijn of bies in een afgewerkte voeg wordt getrokken.
De historische dagge bestaat uit een licht gebogen ijzeren lemmer met houten handvat en een groef waarmee na het effenstrijken een bies in de voeg kan worden aangebracht.
Dagvoeg — Historische voegafwerking waarbij een lijn in de voeg wordt aangebracht.
Verwante historische of regionale benamingen: daagvoeg, dagsvoeg, daggelijnvoeg, schaatsvoeg.
De precieze betekenis en uitvoering kunnen per periode en streek verschillen.
Dampopen — Praktische benaming voor het vermogen van een materiaal of constructie om waterdamp door te laten.
Bij technische beoordeling is de werkelijke dampdiffusieweerstand en de gehele constructieopbouw belangrijker dan het woord alleen.
Doorgestreken metselwerk — Metselwerk waarbij de zichtbare voeg tijdens of direct na het metselen uit de metselmortel zelf wordt gevormd en afgewerkt.
Hierbij wordt dus niet later een afzonderlijke voegmortel aangebracht.
Doorhouwen — Het opnieuw mechanisch bewerken van opgeslagen of gerijpte kalkmortel om deze homogeen en verwerkbaar te maken.
Doorhouwen hoort bij de traditionele bewerkingen die de verwerkbaarheid van kalkmortel herstellen zonder automatisch extra water toe te voegen.
Droogblussen — Bluswijze waarbij relatief weinig water wordt gebruikt, zodat na de reactie hoofdzakelijk droog kalkhydraat resteert.
Dit verschilt fundamenteel van nat blussen tot kalkdeeg.
Droging — Het verlies van vrij water uit een mortel of pleister.
Niet hetzelfde als: carbonatatie of volledige uitharding.
E
Elasticiteit — Het vermogen van een materiaal om onder belasting te vervormen en na ontlasting geheel of gedeeltelijk terug te keren.
Bij historische mortels is vervormbaarheid vaak minstens zo relevant als alleen druksterkte.
E-modulus — Maat voor de stijfheid van een materiaal.
Ook: elasticiteitsmodulus. Een hogere E-modulus betekent dat een materiaal bij dezelfde belasting minder vervormt.
Engels verband — Traditioneel metselverband waarin koppenlagen en strekkenlagen elkaar afwisselen.
Het verband behoort tot de klassieke verbanden van massief metselwerk.
F
Fijne fractie — Het fijnste deel van het aggregaat of vulmateriaal in een mortel.
De fijne fractie beïnvloedt waterbehoefte, verwerkbaarheid, poriënstructuur en oppervlaktebeeld.
Fresco — Schildertechniek waarbij pigment op verse, nog vochtige kalkpleister wordt aangebracht.
De kleurlaag wordt tijdens de ontwikkeling van de kalkafwerking onderdeel van het oppervlak.
Fresco secco — Schildertechniek waarbij op een droge kalkondergrond wordt geschilderd.
Dit verschilt van echte fresco op verse, nog vochtige pleister.
G
Gebluste kalk — Kalk die door reactie van levende kalk met water is omgezet in calciumhydroxide.
Gebluste kalk kan onder andere als poederhydraat of kalkdeeg voorkomen.
Geborstelde voeg — Voegafwerking waarbij de nog verse voegmortel met een borstel wordt bewerkt.
Hierdoor ontstaat een ruwer, levendiger oppervlak waarin het aggregaat sterker zichtbaar kan worden. Geborsteld beschrijft vooral de oppervlaktestructuur van de voeg.
Gekamde voeg — Voegafwerking waarbij het oppervlak van de verse mortel met een kam of vergelijkbaar gereedschap wordt bewerkt.
Hierdoor krijgt het voegoppervlak een herkenbare structuur. Niet hetzelfde als: geborstelde voeg.
Gepouleerde voeg — Historische vlakke voegafwerking met een verzorgd, fijn afgewerkt oppervlak.
De exacte historische profilering en uitvoering kan per context verschillen.
Gerijpte kalk — Gebluste kalk die gedurende een bepaalde periode onder gecontroleerde omstandigheden is opgeslagen voordat zij wordt verwerkt.
Rijping kan invloed hebben op de structuur en verwerkingseigenschappen van kalkdeeg.
Gesneden voeg — Historische voegtechniek waarbij de mortel na het volzetten strak langs een lijn of rei wordt afgesneden.
Zie ook: snijvoeg / knipvoeg.
H
Haarmortel — Historische pleistermortel waaraan dierlijk haar werd toegevoegd als wapening.
De haarvezels helpen onder meer bij het beheersen van krimp en scheurvorming in dikkere pleisterlagen.
Halfsteensverband — Metselverband waarbij opeenvolgende lagen een halve steen ten opzichte van elkaar verspringen.
De zichtzijde bestaat hoofdzakelijk uit strekken en de stootvoegen liggen ongeveer boven het midden van de steen in de onderliggende laag.
Hengst — Historische metselterm.
De precieze definitie en toepassing binnen steenverdeling of metselverband moet nog nader worden vastgelegd.
Holle voeg — Voegprofiel waarbij het midden van de voeg naar binnen ligt ten opzichte van de randen.
Het profiel zorgt voor duidelijke schaduwwerking.
Hydraulische kalk — Kalk die naast carbonatatie ook door hydraulische reacties kan verharden.
De hydraulische eigenschappen kunnen natuurlijk aanwezig zijn of op andere wijze tot stand komen; dit moet per kalksoort worden onderscheiden.
Hydraulische reactie — Chemische reactie waarbij reactieve bestanddelen in aanwezigheid van water verbindingen vormen die bijdragen aan de verharding.
Hydraulische verharding verschilt van de carbonatatie van luchtkalk.
Hot-mixed kalkmortel — Kalkmortel waarbij levende kalk tijdens het bereiden van de mortel wordt geblust, doorgaans in direct contact met vochtig aggregaat.
Engels: hot-mixed lime mortar.
Hygroscopiciteit — Het vermogen van een materiaal of zout om waterdamp uit de lucht op te nemen.
Vooral bij zoutbelast historisch metselwerk kan hygroscopiciteit een belangrijke rol spelen in vochtverschijnselen.
I
In de rot zetten — Het gedurende een bepaalde periode opslaan of laten rusten van kalkmortel voordat deze wordt verwerkt.
Traditioneel kan de mortel gedurende deze periode opnieuw worden omgezet en bewerkt. Daarbij spelen onder meer verdere blussing van eventueel aanwezige levende kalkdelen, vochtverdeling en verwerkbaarheid een rol.
Inboeten — Het plaatselijk vervangen of aanvullen van beschadigde of ontbrekende stenen in bestaand metselwerk.
Bij restauratie moet daarbij rekening worden gehouden met steenformaat, verband, mortel en historische detaillering.
Insluiting — Een herkenbaar bestanddeel of deeltje dat in een mortelmatrix aanwezig is.
Een kalkinsluiting is hiervan een bekend voorbeeld.
IJdel werken — Historische metselterm voor metselen waarbij de mortel niet volledig tot aan het buitenvlak wordt aangebracht.
Schoon metselwerk zonder smet op de baksteen van de legmortel Hierdoor blijft ruimte over om het metselwerk later afzonderlijk te voegen.
J
Jute — Natuurlijk vezeldoek dat wordt gebruikt om vers aangebracht voeg- en pleisterwerk te beschermen tegen ongunstige weersinvloeden en te snelle uitdroging.
Jute helpt om vers kalkwerk gelijkmatig en gecontroleerd te laten drogen. Het doek beschermt tegen directe zon, wind en lichte regen en beperkt zo een te snelle vochtonttrekking uit de mortel. Bij warm, droog of winderig weer kan de jute vochtig worden gehouden om de nabehandeling van kalkmortel en kalkpleister te ondersteunen.

K
Kalei — Dunne minerale afwerklaag, traditioneel op basis van kalk, voor metselwerk of andere minerale ondergronden.
Een kalei laat doorgaans de structuur van de ondergrond deels zichtbaar en is geen dikke pleisterlaag.
Kaleien — Het aanbrengen van een kaleilaag.
De uitvoering kan met kwast of ander geschikt gereedschap gebeuren, afhankelijk van materiaal en gewenste structuur.
Kalkbril — Historische beschermbril van kalk- en metselaarsvaklieden, onder meer gebruikt bij het blussen van kalk.
Historische uitvoeringen konden uit fijn metalen gaas of traliewerk bestaan ter bescherming tegen kalk, stof en rondvliegende deeltjes.
Kalkbrander — Vakman die kalksteen in een kalkoven brandt tot levende kalk.
Brandregime, brandstof en grondstof hebben invloed op het uiteindelijke kalkproduct.
Kalkdeeg — Gebluste kalk in deegvorm, bestaande uit voornamelijk calciumhydroxide en water.
Kalkdeeg kan direct worden gebruikt of gedurende langere tijd worden gerijpt.
Kalkhouw — Traditioneel gereedschap voor het intensief mengen, hakken, keren en bewerken van kalk en kalkmortel.
De kalkhouw speelt een belangrijke rol in historische beschrijvingen van mortelbereiding, beslaan en vlijmen.
Kalkinsluiting — Een herkenbare concentratie kalk in een kalkmortel.
Niet iedere kalkinsluiting heeft dezelfde oorsprong; bereidingswijze en blusproces spelen hierin een rol.
Kalkmelk — Sterk met water verdunde suspensie van fijne kalkdeeltjes.
Kalkmelk kan als basis dienen voor traditionele kalkafwerkingen.
Kalkmortel — Mortel waarin kalk het voornaamste of bepalende bindmiddel is.
De eigenschappen hangen niet alleen van de kalksoort af, maar ook van aggregaat, verhouding, bereiding, verwerking en nabehandeling.
Kalkoven — Oven waarin kalksteen op hoge temperatuur wordt gebrand tot levende kalk.
Historische kalkovens verschillen sterk in bouw, brandstof en bedrijfsvoering.
Kalkpit — Zichtbaar kalkrijk deeltje of kleine kalkinsluiting in een mortel.
De benamingen kalkpit, kalkklont, kalkknol en nablusser worden niet altijd consequent gebruikt en moeten daarom zorgvuldig van elkaar worden onderscheiden.
Kalkpleister — Pleistermortel waarbij kalk het belangrijkste bindmiddel vormt.
Kalkpleister kan uit meerdere lagen met verschillende korrelopbouw en functies bestaan.
Kalkput — Voor opslag en rijping van gebluste kalk ingerichte put of voorziening.
Historisch konden kalkputten onderdeel zijn van de vaste infrastructuur van bouwplaatsen en kalkbedrijven.
Kalksinterwater — Kalkrijk water afkomstig uit of verbonden met de opslag en rijping van kalk.
Traditioneel kan dit water voor specifieke kalktoepassingen en het reguleren van zuiging worden gebruikt.
Kalksteen — Gesteente dat grotendeels uit calciumcarbonaat bestaat en de belangrijkste grondstof vormt voor de productie van kalk.
Mineralogie en bijmengingen beïnvloeden de eigenschappen van de gebrande kalk.
Kalkverf — Minerale verf waarbij kalk als bindmiddel fungeert.
Kalkverf wordt in dunne lagen op geschikte minerale ondergronden aangebracht.
Kalkwater — Heldere waterige oplossing van calciumhydroxide.
Kalkwater is iets anders dan kalkmelk, waarin kalkdeeltjes als suspensie aanwezig zijn.
Kalkwitsel — Traditionele dunne kalkafwerking voor het witten van minerale oppervlakken.
De samenstelling en laagdikte kunnen per toepassing verschillen.
Klezoor — Een kwart van een baksteen in de lengterichting.
Klezoren worden gebruikt om een metselverband correct te laten verlopen en ongewenste doorgaande stootvoegen te voorkomen.
Klisklezoor — Een doormidden gehakte klezoor.
Het in de lengterichting splijten of hakken van de klezoor wordt klissen genoemd.
Klezorenverband — Metselverband waarin opeenvolgende lagen ongeveer een kwart steen ten opzichte van elkaar verspringen.
Er bestaan onder andere uitvoeringen met een staande tand en een vallende tand.
Kluitkalk — Levende kalk die in brokken of kluiten uit de kalkoven komt.
De brokken worden vóór of tijdens mortelbereiding geblust.
Kop — De korte zijde van een baksteen.
De afwisseling tussen koppen en strekken bepaalt veel klassieke metselverbanden.
Koppenverband — Metselverband waarbij aan het zichtvlak voornamelijk of uitsluitend koppen zichtbaar zijn.
Dit verband komt vooral voor bij massiever metselwerk.
Korrelgrootte — De afmeting van afzonderlijke aggregaatkorrels.
Korrelgrootte beïnvloedt onder andere textuur, verwerkbaarheid en laagdikte.
Korrelopbouw — De verdeling van verschillende korrelgroottes binnen het aggregaat of de mortel.
Een goed opgebouwde korrelverdeling beïnvloedt dichtheid, verwerkbaarheid en bindmiddelbehoefte.
Kraslijn — Een lijn die op de stenen wordt gekrast om de stootvoegen loodrecht boven elkaar te kunnen plaatsen.
De kraslijn kan ongeacht metselverband of uitvoering als uitzetlijn worden gebruikt. Bij historisch voegwerk kan zij daarnaast bewust zichtbaar onderdeel zijn van de afwerking of vormgeving.
Kruisverband — Traditioneel metselverband met afwisselende koppen- en strekkenlagen.
De strekkenlagen verspringen onderling een halve steen, waardoor het kenmerkende kruisende patroon ontstaat.
L
Legmortel — Mortel waarop steen, baksteen of ander metselmateriaal tijdens het metselen wordt gelegd.
De legmortel vormt het horizontale mortelbed tussen de lagen.
Levende kalk — De traditionele vakbenaming voor kalk zoals deze uit de oven komt en nog niet is geblust.
Levende kalk bestaat hoofdzakelijk uit calciumoxide (CaO).
Ook genoemd: ongebluste kalk. Engels: quicklime.
Lintvoeg — De horizontale voeg tussen opeenvolgende lagen stenen in metselwerk.
De verhouding tussen lint- en stootvoegen bepaalt mede het gevelbeeld.
Luchtkalk — Kalk die voornamelijk verhardt door carbonatatie en daarvoor kooldioxide uit de lucht nodig heeft.
Luchtkalk onderscheidt zich van kalksoorten met hydraulische verharding.
Luchtkalkmortel — Mortel waarin luchtkalk het bindmiddel vormt.
De eigenschappen worden mede bepaald door aggregaat, verhouding, bereiding, verwerking en nabehandeling.
M
Magere kalk — Historische classificatie voor kalk die tijdens het blussen relatief weinig volumetoename vertoont.
De historische indeling in vette, halfvette en magere kalk hing samen met gedrag bij het blussen en de samenstelling van de kalksteen.
Magere mortel — Mortel met relatief weinig bindmiddel of een mortel die zich weinig vet en kleverig gedraagt.
Historisch werd dit mede beoordeeld aan het gedrag van de mortel op de troffel.
Metakaolien — Reactief aluminosilicaat dat door verhitting van geschikte kleimineralen kan worden geproduceerd en als puzzolaan met kalk kan reageren.
Reactiviteit en dosering bepalen de invloed op de mortel.
Metselmortel — Mortel voor het verbinden en leggen van stenen in metselwerk.
Ook: metselspecie.
Mortel — Mengsel van bindmiddel en aggregaat, doorgaans met water en eventueel andere bestanddelen.
Mortel wordt gebruikt voor onder andere metselen, voegen en pleisteren.
Mortelanalyse — Onderzoek van bestaande of historische mortel om samenstelling, bestanddelen en eigenschappen te bepalen.
Afhankelijk van de vraag kunnen verschillende analysetechnieken worden gecombineerd.
Mortelbak — Bak voor het dragen, bewaren of verwerken van mortel.
Historische uitvoeringen en draagwijzen verschilden per regio.
Mortelbord — Bord of plank waarop mortel tijdens het werk wordt geplaatst.
Historische benaming: mortelberd.
Mortelbereiding — Het volledige proces waarmee de bestanddelen van een mortel worden samengebracht en bewerkt tot een geschikte specie.
Bij historische kalkmortels kan dit veel verder gaan dan alleen mengen en bijvoorbeeld beslaan, doorbouwen, stampen, rusten en opnieuw bewerken omvatten.
Mortelkuip — Kuip waarin mortel wordt aangemaakt, bewaard of verwerkt.
De kuip kan onderdeel zijn van zowel traditionele als moderne mortelverwerking.
Mortelmaker — Historische vakman die verantwoordelijk was voor het blussen van kalk en het bereiden en beslaan van mortel.
De term laat zien dat mortelbereiding historisch een afzonderlijke vakhandeling kon zijn.
Mortelstamper — Gereedschap waarmee mortel intensief wordt gestampt en bewerkt.
Stampen kan de mortel losser en zachter maken en harde brokken fijnwerken.
N
Nabehandeling — Maatregelen waarmee verse kalkmortel na verwerking wordt beschermd en onder gunstige omstandigheden kan ontwikkelen.
Bescherming tegen te snelle droging, wind, zon, regen en vorst kan daarbij van belang zijn.
Nablusser — Deel levende kalk dat pas vertraagd met vocht reageert nadat de mortel al is bereid of verwerkt.
Nablussers moeten niet automatisch gelijkgesteld worden aan iedere zichtbare kalkinsluiting.
Nat-in-nat — Werkwijze waarbij een volgende laag of bewerking wordt uitgevoerd terwijl de onderliggende laag nog voldoende vochtig of vers is.
De methode kan relevant zijn voor hechting en laagopbouw.
Natuurlijk cement — Hydraulisch bindmiddel dat wordt verkregen door geschikt natuurlijk gesteente te branden en vervolgens te malen.
Het moet worden onderscheiden van modern Portlandcement en van natuurlijke hydraulische kalk.
Natuurlijk hydraulische kalk — NHL — Kalk met natuurlijke hydraulische eigenschappen die voortkomen uit de samenstelling van de gebruikte kalksteen.
De klassen NHL 2, NHL 3.5 en NHL 5 worden binnen dit lemma verder onderscheiden.
Noors verband / kettingverband — Metselverband waarin binnen één laag regelmatig twee strekken en één kop worden herhaald.
Ook genoemd: Noors-kettingverband, kettingverband.
O
Ondergrond — Het materiaal waarop mortel, pleister, kalei of verf wordt aangebracht.
Eigenschappen als zuiging, vochtgehalte, structuur en sterkte beïnvloeden de verwerking.
Ongebluste kalk — Moderne benaming voor levende kalk.
Zie: Levende kalk.
Opofferingsmortel — Mortel die binnen een conserveringsstrategie bewust zo wordt gekozen dat schade bij voorkeur in de vervangbare mortel optreedt en niet in waardevol historisch materiaal.
Dit begrip moet niet worden gereduceerd tot alleen “zachter dan de steen”; vocht- en zouttransport, poriënstructuur en compatibiliteit zijn eveneens belangrijk.
P
Plakspaan — Gereedschap waarmee pleistermortel wordt aangebracht of afgestreken.
Historisch ook: plakspa.
Platvolle voeg — Voeg die nagenoeg gelijk met het zichtvlak van de baksteen wordt afgewerkt.
Het oppervlak kan vervolgens glad, geborsteld, gekamd, beslagen of op een andere manier worden afgewerkt.
Pleistermortel — Mortel bedoeld voor het aanbrengen van een pleister- of stuclaag.
Korrelopbouw, bindmiddel en laagdikte worden op de functie van de pleister afgestemd.
Pleisteren — Het aanbrengen en afwerken van één of meerdere mortellagen op een ondergrond.
Traditionele kalkpleisters worden vaak in meerdere lagen opgebouwd.
Pluimen — Kalkmortel intensief opnieuw bewerken om haar soepel en homogeen te maken zonder onnodig extra water toe te voegen.
In de praktijk kan mortel met de troffel tegen de zijkant van emmer of mortelbak worden bewerkt totdat zij opnieuw goed verwerkbaar wordt.
Poliertruweel — Klein truweel voor fijn pleister-, herstel- en afwerkwerk.
Het wordt gebruikt waar een groter metseltruweel te grof is.
Porositeit — Het aandeel en de structuur van poriën in een materiaal.
Niet alleen het totale poriënvolume, maar ook grootte, vorm en onderlinge verbinding van de poriën zijn bepalend voor vochttransport en materiaalgedrag.
Putkalk — Gebluste kalk die gedurende langere tijd in een kalkput of vergelijkbare opslag wordt bewaard en gerijpt.
Putkalk is dus niet alleen kalkdeeg, maar verwijst ook naar de wijze van opslag en rijping.
Puzzolaan — Reactief kiezelzuur- en/of aluminiumhoudend materiaal dat met calciumhydroxide kan reageren en hydraulische verbindingen kan vormen.
Historische schrijfwijzen en benamingen: pouzzolaan, pouzzolaanaarde.
Niet ieder gemalen keramisch materiaal is automatisch een actieve puzzolaan.
Puzzolane reactie — Reactie tussen reactieve bestanddelen van een puzzolaan en calciumhydroxide in aanwezigheid van water.
Hierbij ontstaan verbindingen die bijdragen aan hydraulische verharding.
Q
Quicklime — Engelse benaming voor levende kalk.
Zie: Levende kalk.
R
Rapen — Het aanbrengen van een relatief dikke egaliserende pleisterlaag waarmee een ondergrond vlak of in vorm wordt gebracht.
Rapen vormt vaak een onderlaag voor verdere afwerking.
Raaplaag — De mortellaag die bij het rapen wordt aangebracht.
De korrel en laagdikte worden afgestemd op ondergrond en vervolglagen.
Rei — Recht gereedschap waarmee metsel-, voeg- of pleisterwerk wordt gecontroleerd, geleid of afgestreken.
De rei wordt gebruikt om lijnen en vlakken strak te houden.
Rijping — De periode waarin kalkdeeg of kalkmortel wordt opgeslagen en waarin structuur en verwerkingseigenschappen zich verder kunnen ontwikkelen.
Rijping is geen universeel proces met voor iedere toepassing dezelfde optimale duur.
Rivierzand — Zand afkomstig uit rivierafzettingen.
Eigenschappen worden bepaald door onder andere mineralogie, korrelvorm en korrelverdeling.
Rotten — Historische term voor het gedurende enige tijd laten rusten en verder ontwikkelen van kalkmortel.
Dit ging vaak samen met herhaald omzetten en opnieuw bewerken.
S
Schaduwvoeg — Voegprofiel waarmee bewust een sterke horizontale schaduwlijn wordt gemaakt.
Bij een gebruikelijke uitvoering ligt de bovenzijde van de lintvoeg terug en de onderzijde verder naar voren, waardoor een schuin profiel ontstaat.
Schelpkalk — Kalk die wordt gebrand uit kalkrijke schelpen.
Schelpkalk kent in Nederland een lange traditie in metsel- en voegmortels.
Schelpkalkmortel — Kalkmortel waarin schelpkalk als bindmiddel wordt gebruikt.
Historische recepten en bereidingswijzen verschillen naar periode en toepassing.
Sinterhuid — Relatief dichte, fijne oppervlaktehuid die bij kalkgebonden afwerkingen kan ontstaan.
De term wordt in de praktijk voor verschillende oppervlakteverschijnselen gebruikt en moet daarom genuanceerd worden beschreven.
Snijvoeg / knipvoeg — Ambachtelijke voegtechniek waarbij de voegmortel strak wordt geprofileerd en afgesneden.
Snijvoeg en knipvoeg worden hier als dezelfde basistechniek behandeld. Verschillen in vorm en profilering hangen samen met periode, bouwstijl, streek en mode.
Staand verband — Traditioneel metselverband met afwisselende koppen- en strekkenlagen.
Bij staand verband liggen de stootvoegen van de strekkenlagen verticaal boven elkaar.
Stampen — Het mechanisch bewerken van mortel met een stamper.
Bij traditionele kalkmortel kan stampen dienen om de mortel losser, zachter en homogener te maken en harde delen fijn te werken.
Stapelverband — Metselpatroon waarbij stenen recht boven elkaar worden geplaatst en de stootvoegen daardoor doorlopen.
Het is vooral een esthetisch patroon en wijkt af van traditioneel verspringend dragend metselwerk.
Steenkalk — Historische benaming voor kalk die uit kalksteen wordt gebrand, in tegenstelling tot bijvoorbeeld schelpkalk.
Historisch werd steenkalk ook in vette, halfvette en magere typen onderscheiden.
Steenmortel — Historische mortelbenaming voor mortel waarin fijngestampte of gemalen steen als bestanddeel voorkomt.
De term moet per historische bron en toepassing worden gelezen.
Stootvoeg — De verticale voeg tussen naast elkaar gelegen stenen.
Stootvoegen vormen samen met lintvoegen het zichtbare voegpatroon van metselwerk.
Strek — De lange zijde van een baksteen.
Strekken en koppen vormen de basis van veel metselverbanden.
Strijkhuid — Fijne oppervlaktelaag die door het strijken of glad afwerken van verse mortel kan ontstaan.
Het fijne bindmiddel kan hierbij relatief sterk aan het oppervlak aanwezig zijn.
Stuifkalk — Historische benaming voor fijne kalk in poedervorm.
De term komt onder andere voor bij historische beschrijvingen van schelpkalkproducten.
T
Tamponneren — Het bekloppen of beslaan van aangebrachte voegmortel.
Door tamponneren wordt de mortel mechanisch aangedrukt en kan de oppervlakkige strijkhuid worden doorbroken, waardoor zand en aggregaat sterker zichtbaar worden.
Tegelverband — Metselpatroon waarbij stenen zonder verspringing recht boven elkaar worden geplaatst.
De verticale voegen lopen daardoor door.
Terugliggende voeg / verdiepte voeg — Voeg waarvan het oppervlak achter het voorvlak van de steen ligt.
De diepte kan variëren van licht terugliggend tot duidelijk verdiept. Naarmate de voeg verder terugligt, worden stenen en schaduwwerking sterker geaccentueerd.
Toeslagstof — Materiaal dat naast bindmiddel, aggregaat en water aan een mortel wordt toegevoegd om bepaalde eigenschappen te beïnvloeden.
Niet iedere toeslagstof is een puzzolaan; functie en werking moeten afzonderlijk worden benoemd.
Tras — Natuurlijke vulkanische puzzolaan die fijngemalen met kalk kan reageren.
Tras kent een lange toepassingstraditie in kalkgebonden mortels.
Trasmortel — Kalkmortel waaraan tras is toegevoegd om hydraulische eigenschappen te verkrijgen of te versterken.
Historische trasmortels werden intensief bewerkt en konden verschillende verhoudingen kennen naar toepassing.
Treden — Traditionele mechanische bewerking van kalkmortel waarbij de specie intensief wordt samengedrukt en omgezet.
Het begrip hoort bij de familie van historische mortelbewerkingen naast beslaan en stampen.
Troffel — Handgereedschap waarmee de metselaar mortel op en tussen stenen aanbrengt, uitspreidt en bewerkt.
Ook: truweel, truffel; historisch ook troefel.
U
Uitharding — Het geheel van fysische en chemische processen waardoor een mortel na verwerking zijn structuur en eigenschappen ontwikkelt.
Bij kalkmortels kunnen droging, carbonatatie en hydraulische reacties verschillende rollen spelen.
Uitbloeiing — Zichtbare afzetting van oplosbare zouten aan of nabij het oppervlak.
Dit ontstaat wanneer zoutbevattend vocht naar het oppervlak beweegt en water verdampt.
Uitlogen — Het oplossen en uit een materiaal transporteren van oplosbare bestanddelen door water.
Langdurige waterbelasting kan hierdoor de samenstelling en structuur van mortel veranderen.
V
Varkensrug — Voegprofilering waarbij de voeg een bolle of rugvormige doorsnede krijgt.
De profilering zorgt voor een sterk herkenbare schaduwwerking.
Verdichten — Het dichter op elkaar brengen en mechanisch consolideren van mortelbestanddelen.
Dit kan door druk, stampen, beslaan of andere bewerkingen gebeuren.
Vette kalk — Historische classificatie voor kalk die bij het blussen sterk in volume toeneemt en als zeer plastisch en smeuïg wordt ervaren.
De historische classificatie hangt samen met de samenstelling van de grondstof en het gedrag bij blussen.
Vette mortel — Mortel die relatief veel bindmiddel bevat of zich door haar plastische en kleverige karakter als vet gedraagt.
Historische vaklieden beoordeelden dit mede aan het gedrag van de mortel op de troffel.
Vlaams verband — Traditioneel metselverband waarbij in iedere laag afwisselend een kop en een strek zichtbaar zijn.
De kop ligt boven het midden van de strek in de onderliggende laag.
Vlijmen — Historische vakterm voor het intensief met de kalkhouw over de vloer wrijven en bewerken van kleine hoeveelheden mortel.
De term hoort bij traditionele mortelbereiding.
Voegen — Het vullen en afwerken van de zichtbare voegen tussen metselstenen.
Historische of regionale benamingen: instrijken, invoegen, invullen, bezetten, spijzen, stofferen en volzetten.
Voegafwerking — De uiteindelijke ligging, vorm en oppervlaktestructuur van de zichtbare voeg.
Ligging: platvol, licht verdiept, verdiept of uitstekend.
Profiel: vlak, hol, bol, schuin, gesneden of anders gevormd.
Oppervlaktestructuur: glad, gestreken, geborsteld, gekamd, beslagen of getamponneerd.
Voegijzer — Gereedschap voor het vullen, aandrukken of afwerken van voegen.
Vorm en breedte verschillen naar voegtype en toepassing.
Voegmortel — Mortel die specifiek wordt toegepast voor het vullen en afwerken van voegen in metselwerk.
Een geschikte voegmortel wordt afgestemd op steen, bestaand werk, vochtgedrag, gewenste structuur en historische context.
Voegspijker — Smal voeggereedschap waarmee voegmortel kan worden aangedrukt of afgestreken.
Het is een ander gereedschap dan een daggeijzer of kalkhouw.
Voorbevochtigen — Het gecontroleerd bevochtigen van steen, metselwerk of een andere minerale ondergrond vóór het aanbrengen van verse mortel of pleister.
Het doel is niet de ondergrond druipend nat te maken, maar te voorkomen dat deze te snel en ongecontroleerd water aan de verse mortel onttrekt.
W
Waterkalk — Historische classificatie voor kalk die door natuurlijke hydraulische bestanddelen ook in vochtige omstandigheden kan verharden.
De historische classificatie loopt niet één op één gelijk met moderne NHL-klassen.
Watermortel — Historische benaming voor mortel die hydraulisch kan verharden.
Historisch werd onderscheid gemaakt tussen gewone kalkmortel en mortels die in natte omstandigheden konden verharden.
Waterhuishouding — De wijze waarop water in mortel, steen of constructie wordt opgenomen, vastgehouden, getransporteerd en weer afgegeven.
Voor restauratie is deze eigenschap vaak belangrijker dan alleen een losse sterktewaarde.
Waterretentie — Het vermogen van verse mortel om zijn aanmaakwater vast te houden wanneer deze in contact komt met een zuigende ondergrond.
Waterretentie beïnvloedt verwerking, hechting en vroege ontwikkeling van de mortel.
Wildverband — Metselverband waarin koppen en strekken bewust zonder regelmatig terugkerend patroon worden verwerkt.
Een goed uitgevoerd wildverband is niet willekeurig: ongewenste verticale lijnen, vallende tanden en opvallende herhalingen worden vermeden.
Winddroog — Voorbevochtigde steen of ondergrond waarvan vrij oppervlaktewater verdwenen is, maar die nog voldoende intern vocht bevat.
Een praktisch historisch begrip dat nauwkeuriger is dan simpelweg “goed natmaken”.
Witkalk — Fijne kalk die traditioneel wordt gebruikt voor witten, kalkmelk en kalkafwerkingen.
Historische benamingen en productvormen verschillen per streek en periode.
X
XRD — Röntgendiffractie: analysetechniek waarmee kristallijne minerale fasen kunnen worden geïdentificeerd.
XRD kan worden gebruikt bij onderzoek van mortel, steen en bindmiddelen.
XRF — Röntgenfluorescentie: analysetechniek waarmee de elementaire chemische samenstelling van een materiaal kan worden bepaald.
XRF geeft een andere soort informatie dan XRD en de technieken kunnen elkaar aanvullen.
Y
Voorlopig geen hoofdlemma.
Z
Zand — Mineraal aggregaat dat een belangrijk bestanddeel vormt van de meeste kalkmortels.
Herkomst, mineralogie, korrelvorm, korrelgrootte en korrelopbouw hebben grote invloed op de eigenschappen van de mortel.
Zeefanalyse — Onderzoek waarbij aggregaat door een reeks zeven met verschillende maaswijdten wordt gescheiden om de korrelverdeling vast te stellen.
De resultaten kunnen worden weergegeven in een zeefcurve.
Zeefcurve — Grafische weergave van de korrelverdeling van een aggregaat of uit mortel teruggewonnen aggregaat.
Een zeefcurve helpt bij het beoordelen en reconstrueren van aggregaatsamenstellingen.
Zoutbelasting — De aanwezigheid en hoeveelheid potentieel schadelijke oplosbare zouten in steen, mortel of pleisterwerk.
Zoutbelasting moet samen met vochttransport, zoutsoort, poriënstructuur en verdampingsomstandigheden worden beoordeeld.
Zoutkristallisatie — Het vormen van zoutkristallen uit een zoutoplossing.
Wanneer kristallisatie in poriën plaatsvindt, kan dit bijdragen aan materiaalschade.
Zuiging — Het vermogen van een poreuze steen of ondergrond om water uit verse mortel op te nemen.
Zuiging is een belangrijke praktische factor bij voorbevochtiging, mortelsamenstelling en verwerking.
Zon — in de zon werken — Historische metselaarsuitdrukking voor goed vakmanschap.
Strijklicht van de zon maakt oneffenheden in metsel- en voegwerk bijzonder goed zichtbaar. Van een metselaar die ook onder deze omstandigheden strak werk kon leveren, werd gezegd dat hij in de zon kon werken.
Dit kalkwoordenboek wordt regelmatig aangevuld met nieuwe begrippen uit de kalk- en restauratiepraktijk. Kom je een woord tegen dat nog ontbreekt in dit kalkwoordenboek? Laat het ons weten, dan zoeken we het voor je uit en vullen we ons kalkwoordenboek verder aan.